De geschiedenis van het stempel


Charles Goodyear

Columbus

Hier leest u meer over het onstaan van het stempel.

Het vak graveur-stempelmaker is een der oudste ter wereld. De ouderdom van het stempel wordtgeschat op minstens 8.000 jaar.
Wat was het oudste stempel? Hoogstwaarschijnlijk was het oudste stempel een dierlijk bot, waarmee men stempelafdrukken maakte in de natte klei van schalen en potten.
Na verloop van (oer-) tijd vonden kunstenaars een methode om hun vaatwerk ook met andere stempelmotieven te versieren.
Zij sneden hun stempelmotieven in hout, waarbij tanden van vissen en roofdieren of snavels en klauwen van roofvogels

als graveerstift fungeerden.
Beroemde Amerikaanse cultuurvolken als de Azteken, Maya en Inca's, die houten stempels gebruikten, vervaardigden aardewerk al in serie.
Zij kenden bovendien, net als de Egyptenaren, Assyriërs en Babyloniers, reeds drie millennia voor Christus geboorte het cylinderstempel,
gegraveerd in bas- of hautrelief.
Door dit stempel over het te bedrukken voorwerp te rollen kon men het stempelbeeld eindeloos herhalen:
de voorloper van de rotatiedruk en natuurlijk van het rolstempel!
Mail ons voor meer informatie over rolstempels.

Behalve ter verfraaiing dienden stempels sinds duizenden jaren ook voor zakelijke doeleinden.
Hoe gevarieerder het zakenleven werd, des te gevarieerder werd het zakenstempel.
Egyptenaren, Babyloniers en Assyriers gebruikten eigendomsstempels, zoals de vermiljoenstempels waarmee zij hun lijfeigenen merkten.
Een documentstempel mocht in het oude China uitsluitend door Zijne Keizerlijke Majesteit worden gehanteerd.
Ieder ander was vervaardiging en gebruik van een stempel uitdrukkelijk ontzegd, op straffe van onthoofding. Het opzettelijk aanbrengen van "foutjes" in officiele stempels om vervalsingen als zodanig te kunnen herkennen, was reeds ver voor het begin onze jaartelling bekend.
Bekend zijn ook de signeerstempels op stukgoederen. Zo zijn in Mexico signeerstempels voor het merken van katoenen weefsels gevonden. Voorts waren stempels van militair belang. Een slagveld was oudtijds namelijk een nudistenterrein, waar men vriend en vijand moeilijk uit elkaar kon houden. Om verwarring en zelfvernietiging in zijn leger te voorkomen stempelde een vorst of een opperhoofd zijn blote bataljons met een signeerstempel, zodat zijn naakte manschappen toch "geuniformeerd" waren. Men stempelde onder meer met roet en vermiljoen (rode kwikerts), vermengd met olie om te snelle uitwissing te voorkomen.
Alleen soldaten onder de olie (van hun signeerstempel) konden ten strijde trekken in het veilige besef, dat zij ook bij de zwaarste regenbui hun "uniform" niet zouden verliezen.
Tatoueerstempels plantten een roetafdruk op de huid, waarna op de lijnen van het gestempelde patroon doornen of naalden met een hamer onder de huid werden geslagen en daarna weer uitgetrokken. Na heling der pijnlijke wonden was het stempelpatroon onderhuids en dus onuitwisbaar.
Bij de stempels van aardewerk en hout voegden zich de stempels van steen:
marmer, jaspis, bergkristal, speksteen. Het stempelbeeld was eenvoudig, zulks
als gevolg van de moeilijke bewerkbaarheid van de steen.
Menigeen droeg zijn stempel, dat behalve gebruiksvoorwerp ook talisman was,
aan een koord op of tussen zijn kleding. De brons- en ijzertijd brachten stempels
van brons en ijzer, heel veel later deden ook de stempels van messing en staal hun intrede.

DE OPKOMST VAN HET RUBBERSTEMPEL
Het geschiedenisboek van het rubber zou kunnen beginnen als volgt:
1492 Columbus zeilt met 120 man op drie driemasters van 200, 140 en 100 ton in 70 dagen van Spanje naar Amerika.
1493 Columbus zeilt met 1500 man op 17 schepen opnieuw van Spanje naar Amerika en ziet op Haiti inboorlingen
met caoutchoucballen spelen. Dertig jaar later, toen de Aztekenkoning Montezuma de Spaanse veroveraar Cortez een
feest aanbood, keek ook deze stomverbaasd naar het balspel van Mexicaanse meisjes: de ballen bleven bij het neer-
komen op de grond niet liggen, maar stuiterden telkens op.
De Zuid- en Midden-Amerikanen gebruikten toen al sinds onheugelijke tijden het melksap (latex) van de caoutchouc-
boom voor het vervaardigen van flessen en schoenen, ja zelfs voor het waterdicht maken van boten en kleding.
Ondanks deze toepassingsmogelijkheden besteedden de Europeanen eeuwenlang niet de minste of geringste aandacht aan deze grondstof.
Toen een zekere Eduard Nairne ontdekte dat men met een stukje caoutchouc potloodstrepen kon wegwrijven (wrijven = to rub), veranderde
de naam in rubber. Volgens anderen kwam de eer van deze toevallige ontdekking de Engelse scheikundige Priestley toe.
Pas in 1820 begon Thomas Hancock in Engeland met de eigenlijke rubberindustrie. Met zijn compagnon MacIntosh bracht hij kleding op de markt, die met rubber waterdicht was gemaakt; sindsdien heet een waterdichte regenjas in Engeland een macintosh. De jassen van de firma Hancock-MacIntosh hadden helaas het grote nadeel, dat ze bij warmte kleverig en bij koude hard en bros werden. Daar moest wat aan gedaan worden.
De man die er wat aan deed, was de Amerikaan Charles Goodyear die zich in 1834 na het faillissement van zijn
ijzerzaak op het nog onvolmaakte product rubber wierp. Na vijf jaren vol tegenslag en teleurstelling ontdekte de
volhardende empiricus, dat een mengsel van rubber, zwavel en loodwit bij verwarming niet week en kleverig werd,
maar elastisch vormvast werd: het warme vulcanisatieproces was uitgevonden.
Op de Parijse wereldtentoonstelling van 1854 kreeg Goodyear een gouden medaille en een speciale gelukwens van
keizer Napoleon III.
Omstreeks 1875 poogde men in de Verenigde Staten van gevulcaniseerde rubber ook stempels te maken.
De pogingen werden weldra met succes bekroond. In 1879 bracht de Amerikaan Cooke het fabrieksgeheim naar Europa: in dat jaar vervaardigde zijn firma Cooke & Weylandt in Berlijn als eerst in Europa rubberstempels.